Semmelknödel

semmelknödel

In het Nederlands heet zo’n soort deegbal een ‘knoedel’, maar ik vind knödel zoveel leuker klinken, dat ik het woord weiger te vertalen. Er zijn diverse soorten knödels en ze worden vaak gemaakt van aardappelen, bloem of brood. Semmel is een Duits woord voor broodje, dus een semmelknödel is een knödel gemaakt van broodjes. Ik geef toe dat het misschien niet zo aantrekkelijk klinkt en misschien zien ze er ook niet altijd even aantrekkelijk uit, maar ik vind maar weinig gerechten zo lekker knus en ouderwets huiselijk als een semmelknödel.

Gemaakt van oudbakken (meestal kaiser)broodjes, met spek, ui en peterselie als smaakmakers, is het een ideale en eenvoudige manier om een restje oud (stok)brood mee op te maken. Voor zover mij bekend is dit een recept uit het Zuiden van Duitsland (Beieren) en ook in Oostenrijk heb ik een gelijksoortige receptuur gezien. Zoals zoveel oude recepten is dit er ook een die ontstaan is door creatief restjes te verwerken tot een nieuw gerecht en ik heb een zwak voor dat soort recepten, niet in de laatste plaats omdat ze vaak verschrikkelijk eenvoudig, en vooral erg lekker zijn (denk aan shepherd’s pie, pizza en nasi goreng, die in principe ook restverwerkingsgerechten zijn).

Het is belangrijk dat het brood dat je hiervoor gebruikt oud is. Vers brood neemt de melk en de smaken niet erg goed op. Ik heb bij de supermarkt kaiserbroodjes gekocht die al niet heel vers meer waren en die thuis nog een hele dag laten liggen voordat ik ze tot knödels heb verwerkt. Ik vermoed dat dit ook prima te maken is met oud stokbrood of oude pistoletjes. Of het met gewoon brood ook zo goed lukt durf ik niet te zeggen, maar als je een restje hebt liggen, kan je het natuurlijk proberen.

Semmelknödels zijn makkelijk te maken, goedkoop en je eet ze als koolhydraat bij een maaltijd, dus in plaats van aardappelen/rijst/pasta/brood. Ze smaken heerlijk bij gebraden vlees, met jus of een andere hartige saus en bijvoorbeeld (zuur)kool.

Semmelknödel (6 stuks)

500 gram oudbakken (stok)brood(jes)
200 ml melk
150 gram mager spek, in kleine stukjes gesneden
1 middelgrote ui
3 eetlepels gehakte peterselie
2 eieren
1 eetlepel boter
Zout en peper
Nootmuskaat
Eventueel wat paneermeel

Snijd het brood in blokjes van ong 2 á 3 centimeter, liever wat groter dan heel fijn, en doe dit in een ruime kom. Verwarm de melk (niet koken), giet dit over het brood, meng het met je handen of een spatel goed door en laat minimaal 15 minuten weken.Het lijkt misschien alsof er veel meer melk over moet, maar laat je niet verleiden om er nog veel meer overheen te gooien, want de kans dat je met veel te nat deeg komt te zitten is dan erg groot (geloof me maar…).

Snipper de ui en bak deze in de boter op laag vuur zacht. Voeg de kleingesneden spekjes toe en bak deze tot ze gaar zijn. Voeg dit ui-spekmengsel toe aan het brood, samen met een snuf zout (pas op dat je niet teveel gebruikt, want het brood is al gezouten en de spekjes zijn vaak ook al erg zout), wat peper en een flinke snuif nootmuskaat (ongeveer een halve theelepel). Strooi de peterselie erover, voeg de twee eieren toe en kneed nu alles stevig met je handen, tot je een stijve, maar plakkerige massa hebt. Als het echt heel erg nat en plakkerig is, te nat om er ballen van te draaien, dan kneed je er een beetje paneermeel doorheen.

Verdeel het deeg in zes porties en draai er, met licht vochtige handen, gladde ballen van. Leg ze op een bord, dek af met plastic folie en zet ze even in de koelkast tot gebruik (maximaal een dag, maar minimaal een uur).

Als je ze gaat koken, breng je een pan met ruim water met een schepje zout aan de kook. Zodra het water kookt, draai je het vuur laag (zodat het water niet meer borrelt) en doet de knödels er in. Kook ze 15-20 minuten tot ze gaar en stevig zijn. Ze zetten nog wat uit, dus zorg dat je pan groot genoeg is en dat ze niet aan elkaar gaan kleven door ze wat in beweging te houden de eerste 2 á 3 minuten. Houd het water tegen het kookpunt aan, maar laat het niet meer hard borrelen.

Een andere manier om de knödels te garen, en eentje waar ik de voorkeur aan geef, is stomen. Op deze manier weet ik zeker dat ze niet uit elkaar vallen, of aan elkaar gaan plakken. Ook worden ze niet natter dan nodig is. Leg wat bakpapier in een stoommandje, om vast plakken te voorkomen, en leg de knödels daar op met minimaal een centimeter ruimte tussen de knödels in. Hang de stoommand boven kokend water, doe er een deksel op en stoom de knödels in 15-20 minuten gaar (het enige nadeel van het stomen is, dat de knödels wat minder mooi rond blijven, omdat ze natuurlijk op één kant in het stoommandje liggen).

DSC_0028-003

DSC_0032-001DSC_0030-001


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *